dinsdag 6 september 2016

Spelling als medicijn tegen taalverandering?

Bedankjes voor de deelnemende kinderen
In veel gebieden van het Nederlands gaat de z steeds meer als de s klinken en de v als de f. “Ik heb de son sien sakken in de see”, is een stereotype uiting van een Amsterdammer. Het verschil tussen de s en z en tussen de f en de v is wel eens groter geweest. In het zuiden van het land is dat verschil nog het meest aanwezig. Daar vind je ook nog een onderscheid tussen de (geschreven) ch en g. In Zuid-Holland, waar ik woon, is er zo goed als geen verschil meer tussen die klanken. Maar je schrijft ze dus nog wel anders! Over deze klankverandering wilde ik meer te weten komen. Sterker nog: hier wilde ik het scriptieonderzoek voor mijn master Taalwetenschappen over gaan doen.

Ik ging op onderzoek uit om te weten te komen hoe Zuid-Hollandse kinderen deze wrijfklanken precies aanleren. Hierbij wilde ik antwoord op de volgende vragen. Maken de kinderen überhaupt wel een onderscheid tussen de korte variant (v, z, g) en de lange variant (f, s, ch)? Zo ja, op welke leeftijden doen ze dat? En speelt de klankomgeving eigenlijk nog een rol?

Eigenwijze woorden
Op die laatste vraag gaf de literatuur me al een begin van een antwoord. Er is namelijk een richtlijn die bepaalt wanneer zo’n wrijfklank liever lang of kort is als hij tussen twee klinkers in staat. Die gaat als volgt: een korte variant (v, z, g) wordt geprefereerd als de klinker ervoor lang is. De lange variant (f, s, ch) komt weer liever na een korte klinker. Voorbeelden zijn: vazen, roven, huizen, jagen (lange klinkers en korte wrijfklanken) en jassen, stoffen, missen, kachel (korte klinkers en lange wrijfklanken). Dit zijn heel natuurlijk klinkende Nederlandse woorden, waarvoor die richtlijn dus geldt. Van dit type zijn er heel veel te vinden. Er zijn echter ook wat eigenwijze woorden die tegen die richtlijn ingaan, bijvoorbeeld puzzel, liggen, vlaggen (korte klinkers én korte wrijfklanken) en tafel, Pasen, juichen (lange klinkers én lange wrijfklanken). Nu vroeg ik me af hoe kinderen de klanken van dit laatste type, de ‘eigenwijze woorden’, aanleren.

Eigenwijze kinderen
Wat bleek nou? Oudere kinderen (negen tot elf jaar) spreken de eigenwijze woorden uit zoals je zou verwachten. Jonge kinderen (vijf tot zes jaar) daarentegen maken in de uitspraak van eigenwijze woorden juist meer gebruik van de richtlijn, zodat die woorden dus wat minder ‘eigenwijs’ worden! Pasen klinkt dan iets meer als “Pazen”. Deze resultaten zou je als volgt kunnen verklaren.

Spelling
Je kunt wel stellen dat een richtlijn die bepaalt welke klank waar optreedt in zekere zin best ‘natuurlijk’ is. Dus, zou je denken, dat is ook iets wat jonge kinderen uit zichzelf zullen toepassen, als ze nog niet weten hoe je de woorden schrijft. Eigenwijze woorden zullen dus meer worden uitgesproken alsof ze de richtlijn volgen: pussel, juigen, tavel. Maar zodra kinderen eenmaal rond de tien zijn en de spelling onder de knie hebben, weten ze wel beter: puzzel schrijf je met een z, net als vezel. Dus die klank in puzzel moet je ook uitspreken als de z in vezel.
Zou het nu zo zijn dat lezend Nederland eigenlijk door zijn kennis over de letters ervoor zorgt dat de verandering van de z, v en g wordt geremd? Of: stel dat we het onderscheid tussen s en z, tussen f en v, en tussen ch en g in de Nederlandse spelling zouden opheffen, zou het verschil tussen die klanken in de spraak dan ook in no time verdwijnen? Oftewel: remt spelling klankveranderingen?


De scriptie waarop dit artikel is gebaseerd is beschikbaar op Leiden University Repository.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen