zondag 1 mei 2016

Een oplossing voor het-verlies

Weet je, ik ben bang om het kwijt te raken. Om hét kwijt te raken, dat lidwoord. Ik maak lidwoordfouten waar het helemaal niet hoeft. Soms twijfel ik over de simpelste woorden: zeg ik de of het been? Als jong-maar-belegen-kaaskop! Help! Hoe komt dit? Wat kunnen we eraan doen?

Eerst even een kort overzicht van de Nederlandse woordgeslachten. Waar vroeger drie geslachten waren, mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, zijn er nu nog maar twee: mannelijk/vrouwelijk en onzijdig. Het eerste geslacht gaat met ‘de’ en het tweede met ‘het’. Ook is er een verschil met aanwijzende voornaamwoorden (die, deze, dat, dit) en bijvoeglijke naamwoorden. Vergelijk ‘een groot huis’ met ‘een grote wasmachine’, maar dit verschil steekt pas de kop op na het onbepaalde lidwoord ‘een’. In veel andere situaties zien we niet eens een verschil tussen de geslachten, bijvoorbeeld als er alleen ‘een’ voor het zelfstandig naamwoord staat of als het woord in het meervoud staat. Het is dus helemaal niet gek dat de twee woordgeslachten soms door elkaar gehaald worden.